Fragment uit Eros was hier

Het leven was meedogenloos. Tijd was meedogenloos. En seks met haar… was meedogenloos. Twee weken lang beleefde hij elke ontmoeting, elke aanraking als de laatste die er zou zijn. Hij wilde niet loslaten. Dus hield hij vast. Krampachtig. Hij was als een drenkeling, wanhopig vasthoudend aan dat, wat zijn redding zou kunnen betekenen. Hij werkte als een bezetene. Bedreef de liefde als een bezetene. En als dan hun lichamen uitgeraasd waren, leeg en onvervuld tegen elkaar aan lagen, dan was er de ziel – al even leeg en onvervuld – die antwoorden wilde.
“Wat moet er van mij worden, als jij weg bent?”
Ze had hem aangekeken, aandachtig en teder zijn slapen strelend. Hij drukte zijn hoofd in haar handpalm. Was het kevertje dat beschutting zocht.
“Jij hebt je familie. Je hebt werk. Je hebt een goed leven.”
“Maar jij maakt mijn leven beter. Compleet.”
Ze knikte. Keek hem aan met een peinzende blik in haar ogen en zei toen:
“Jij bent een kikker. Jij kunt op het land leven. Maar met water erbij is het beter voor jou. En ik ben water.”
Als hun gezamenlijke woordenschat tekortschoot, schetsten ze beelden die konden uitdrukken hoe het was.
“Zonder water droog ik uit.” Hij zou werkelijk verdrogen, verdorren. Zijn huid zou leer worden.
“Waarom blijf je niet hier? Je hebt hier vrienden. Zij kunnen je helpen. Je kunt ander werk vinden. Je kunt bij een makelaar werken. Ik kan je helpen!”
Er was ineens hoop. Maar haar ogen gaven het antwoord al, nog voor de woorden kwamen.
“Jouw familie is jouw leven. Mijn werk is mijn leven. Jij houdt van jouw vrouw en van jouw kinderen. Ik houd van mijn werk.”
Ze stond op, stak hem haar hand toe ten teken dat hij met haar mee moest komen. In de keuken draaide ze de kraan open.
“Ik ben water”, zei ze. Ze vormde een kommetje van haar handen. “Je kunt me opvangen. Je kunt me drinken. Maar je kunt me niet vasthouden. Water is vrij.”
Hij zag het water tussen haar vingers verdwijnen.
Hij huilde.

x